Home        Mailinglist        Cont@ct        Sitemap

 
Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Federale Overheidsdienst
Nieuws
Adressen
Op reis
Beleid
Diensten
België

Persberichten
Persdienst
Toespraken Ministers
Nieuwsflash Reizen
Economisch nieuws uit België

In het buitenland
In België
Buitenlandse Handel
Stratenplan
Belgische ambassades online 

Reisadvies per land
Reis Wijs
Reisdocumenten
Belgisch paspoort
Visum voor België

Internationale thema's
Europa
Landen en Regio's
Ontwikkelings­samenwerking
Finexpo

Wonen in het buitenland
Legalisatie
Burgerlijke Stand
Bibliotheek & Archief
Protocol

Algemene info
Toerisme
Studeren in België
Verdragen
Belgium Unlimited

Persdienst
Datum: 19/02/2003  
Eerste Minister Verhofstadt : Pleidooi voor een nieuw atlantisme (Plaidoyer pour un nouvel atlantisme), Hofstadlezing, Den Haag, 19.02.03
Hofstadlezing van eerste minister Guy Verhofstadt
Den Haag, 19 februari 2003


Pleidooi voor een nieuw atlantisme


Mijnheer de voorzitter
Mijnheer de hoofdredacteur
Dames en Heren,

Waarmee kan men een lezing in een verheven omgeving als die van de Grote Kerk in Den Haag beter beginnen dan met enkele klassieke citaten? Ik stel de vraag, omdat het lang geleden was dat ik in mijn geheugen een Latijns citaat opdiepte. Maar eergisteren was dit tot tweemaal toe het geval.

Zoals vaak in de moderne politiek was een tv-beeld de aanleiding. Een beeld dat in België haast continu is uitgezonden. De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Dominique de Villepin, komt toe op de Europese Top in Brussel. Hij loopt meteen naar de vele camera’s en microfoons. En hij zegt: ,,je suis heureux d’être ici, dans un pays si courageux’’.

Die scene riep niet alleen bij mij, maar bij vele landgenoten, een citaat van Julius Caesar op, dat ons allen in de school is ingeprent: Horum omnium fortissimi sunt. ,,Van alle Galliërs zijn de Belgen de dappersten’’. En prompt kwam er een tweede oer-Latijns citaat in mij op, ingegeven, zo vermoed ik, door die oude reflex van de Lage Landen tegenover Parijs: het Timeo Danaos et dona ferentes van Vergilius. ,,Vrees de Grieken, vooral als ze geschenken uitdelen’’.

Dames en heren

België heeft de voorbije dagen in de spits van de internationale actualiteit gestaan. Het streelt, u zal me niet tegenspreken, de broze ijdelheid van elk klein land als het vermeld wordt op CNN. Maar het Belgisch verhaal van de afgelopen week is maar een klein onderdeel van iets dat veel dieper graaft, van een fenomeen dat in deze internationale crisis onweerstaanbaar opduikt. Laat me dat, bij wijze van uitgangspunt voor deze lezing, samenvatten in een paradox: hoe meer men in onze straten betoogt voor de vrede, hoe dringender de uitbouw wordt van een waarachtige Europese Defensie.

Ik verklaar me nader.

Ik heb de voorbije weken getracht afstand te houden van de transatlantische karikaturen over ,,cowboys in het Witte Huis’’ en ,,het oude, gescleroseerde Europa aan de Noordzee’’. Dat is immers het niveau waarop de tabloids zijn afgedaald. Ik heb me zitten afvragen wat er echt aan de hand is tussen de twee oevers van de oceaan. Ging het om traditioneel Europees-Amerikaans gehakketak, de ruis die opduikt bij iedere internationale crisis? Of is er inderdaad een drempel overschreden? Is er iets meer fundamenteels aan de hand?

Ik behoor tot de mensen die er in 1990 volledig mee akkoord gingen dat Amerika het door Saddam Hoessein veroverde Koeweit ging bevrijden om ook onze oliebevoorrading veilig te stellen. Ik heb het als pijnlijk, maar levensnoodzakelijk ervaren dat de Verenigde Staten de beslissende rol speelden in het oplossen van het Joegoslavische conflict, een oplossing die Slobodan Milosevic tot een verlengd verblijf in uw stad noodzaakt. En ik heb tenslotte met opengesperde ogen toegekeken hoe Amerika na 11 september in amper drie maanden tijd een totaal onvoorziene en door velen onmogelijk geachte machtswisseling in Afghanistan tot stand bracht.

In de gangbare clichés zijn liberalen, zoals ikzelf en mijn minister van Buitenlandse Zaken, politici van partijen waarvan wordt verwacht dat ze in tijden van crisis pal achter Amerika gaan staan. Zoals men van partijen ter linkerzijde normaal verwacht dat zij minstens verbaal hun geloof in het pacifisme belijden. Niets was, zeker in deze tijden van Belgische verkiezingskoorts, meer vanzelfsprekend geweest dan dat wij die sjablonen trouw waren gebleven. Maar dat gebeurde niet. Dat hebben we niet gedaan.

Waarom niet?

Omdat er – denk ik - iets ontbreekt, iets dat ons motiveerde in de voorgaande crisissen, na 11 september, in Joegoslavië, in de vorige Golfoorlog, in onze veertig jaar lange strijd tegen het Sovjetrijk. Voelen wij ons, hier, op dit continent, écht bedreigd door het Irak van Saddam? Is er echt, bij ons allen, dat gevoel aanwezig, dat zo essentieel is om ons, moegestreden Europeanen, in nood naar de wapens te doen grijpen?

Bovendien is er, zoals de Duitse bondskanselier vorige week al opmerkte, de niet te omzeilen vergelijking met Noord-Korea. Dat is ook een verschrikkelijke, zelfs radeloze dictatuur, waarover sterke vermoedens bestaan dat ze over kernwapens beschikt, die categoriek weigert wapeninspecteurs op haar grondgebied toe te laten, die nieuwe proefnemingen met draagraketten aankondigt. Pjongjang bieden we de dialoog aan. Bagdad, waar we tot nog toe geen kernwapens hebben gevonden, en dat wèl inspecteurs van de Verenigde Naties toelaat, zetten we voor het blok.

Niet dat ik Saddam Hoessein enige sympathie toedraag. Ik denk dat wij allen zonder twijfel de visie delen dat hij een schurk is, de voornaamste bedreiging voor zijn eigen volk, een wezenlijke factor van instabiliteit in de regio van het Midden-Oosten. Ik denk ook dat we het er roerend over eens zijn dat als je Saddam laat doen, hij zonder verpozen zal blijven streven naar het bezit van massavernietigingswapens.

Ik denk zelfs dat we aan deze oever van de oceaan eerlijk moeten toegeven dat zonder de militaire druk van de Verenigde Staten er geen nieuwe wapeninspecties waren gekomen. Europa alleen, laten we daar oprecht in zijn, zou Saddam niet hebben belet zijn laatste immorele gok te wagen.

Maar anderzijds meen ik dat er wereldwijd stilaan een scherp beeld begint te groeien over de omvang van de Iraakse bedreiging. Noch Colin Powell, noch Hans Blix hebben een smoking gun kunnen ontdekken die rechtstreeks gericht is tegen het westen. En als het buiten kijf staat dat het regime in Bagdad terroristen sponsort – vandaag nog royaal de Palestijnse zelfmoordcommando’s bijvoorbeeld – dan zijn de indicaties van een band met Al Qaeda flinterdun.

Waar scheiden zich dan onze wegen? Waar ligt de reden voor de diepe kloof tussen de publieke opinie in West-Europa en de regerende meerderheid in de VS? Ik denk op twee punten.

Er is de psychologie van 11 september in de Verenigde Staten, die we hier in Europa waarschijnlijk allen onderschatten. De vernieling van de Twin Towers heeft de Amerikanen intens geraakt en zal hen tot dadendrang blijven aanzetten totdat de schuldigen zijn gevonden. Collaterale schade naar minder-schuldigen of zelfs onschuldigen lijkt daarin soms herleid te worden tot een detail.

Ten tweede is er, meer dan ooit, het besef van de militaire suprematie. Die suprematie is een objectief gegeven. Het Amerikaans leger heeft een technologische voorsprong van minstens vijftien jaar op de rest van de wereld. Het wordt gefinancierd a rato van één miljard dollar per dag. En het moet in staat worden geacht sterker te zijn dan het tweede, het derde, het vierde en het vijfde sterkste leger ter wereld bijeen. De Amerikanen zelf zijn dat volop gaan beseffen in Afghanistan. De operatie daar heeft de spons geveegd over de nare herinnering aan Vietnam.

De combinatie van die twee elementen heeft het target-Irak tot leven gewekt. Daarbij gaat het waarschijnlijk minder om de voorlopig onvindbare massavernietigingswapens van het versleten regime in Bagdad, dan om een nieuwe ordening van de Arabische wereld zelf. Op termijn zou dit een fenomeen als Al Qaeda onmogelijk moeten maken, en misschien ook een oplossing moeten vergemakkelijken van het eeuwigdurend conflict tussen Israël en de Palestijnen.

Er zit logica in die redenering. En ongetwijfeld wordt sedert 11 september politici in Washington voortdurend ingefluisterd dat hun later misschien verweten zou kunnen worden dat zij de opportuniteit, de kans om veruit het sterkste leger ter wereld in te zetten, hebben laten liggen. Het is een dynamiek die ik tot op zekere hoogte kan begrijpen, zonder ze daarom goed te keuren. Want we weten met zekerheid dat het een logica is die vroeg of laat in botsing komt met de internationale rechtsorde. Het is een logica die stoelt op een moeilijk te motiveren bedreiging, iets wat nochtans essentieel is voor de rechtvaardigingsgrond van een gewapend conflict, of van een oorlog.

Bij dit alles voelen wij, Europeanen, ons niet goed in ons vel. Wij hebben geen klap als 11 september geïncasseerd, ook al beseffen we dat we er zeker niet immuun voor zijn. Bovendien verwerpen wij als het ware instinctmatig militaire conflicten. Twee wereldoorlogen hebben ons continent getraumatiseerd. Amerikanen zijn meestal van oorsprong geëmigreerde Europeanen, maar als er één punt is waar beide continenten in mentaliteit uit elkaar zijn gegroeid, vanwege een anders verlopen geschiedenis, dan is het de perceptie van soldaten, van oorlog, van nationale pathos.

Zolang een bedreiging ook in Europa wordt ervaren, is het gebruik van oorlog en wapens nog net te motiveren. Maar valt dat gevoel weg, dan ligt de transatlantische kloof gapend open. Tenminste wat de publieke opinie betreft. Want waarom maakt ook politiek Europa – of alleen maar België en Nederland – in deze crisis een nog veel meer verdeelde indruk dan ooit tevoren?

Ik wil hier geen boom opzetten over atlantisme versus anti-amerikanisme. Het sluiten van bondgenootschappen hoeft geen punt van geloofsleer te zijn. Wie dat zo zou interpreteren, zit verkeerd. Belangrijker is de vraag welk belang we nastreven in onze relatie met onze vertrouwde bondgenoot, de Verenigde Staten.

Er kan geen twijfel over bestaan dat als elf september zich niet in New York en Washington had afgespeeld, maar in Londen, Parijs, Brussel of Berlijn, we ongetwijfeld naar het Witte Huis hadden moeten telefoneren om in te grijpen. Zoals we dat, in een demonstratie van beschamende Europese onmacht, hebben moeten doen voor Bosnië en Kosovo.

Ik heb dus begrip voor die Europese politici die de voorbije dagen hun onbegrip hebben geuit over de houding van Frankrijk, Duitsland en België. Het blijft perfect logisch te stellen dat je Amerika beter te vriend houdt, omdat je Washington in dagen van nood nodig zal hebben bij gebrek aan een volwaardige eigen defensie-capaciteit. En dat je dus ook plausibele kritiek, zoals wij die hebben geuit, beter inslikt. De brandweer aanklagen, dat past niet.

En toch is die stelling onhoudbaar. Hoe lang nog kunnen wij, als verantwoordelijke politici, leven met een Europese bevolking die dat Amerikaans gevoel van bedreiging doorgaans niet deelt? Hoe lang laten wij ons vervreemden van een publieke opinie die soms met bewondering, maar vaak met verbijstering beelden registreert waarin alle macht lijkt te moeten komen uit de loop van een geweer?

Mijn vrees is dat dit transatlantisch spagaat alleen maar dreigt toe te nemen. Zolang de divisies van de Sovjetunie in 48 uur aan de Rijn konden staan, was het evident dat wij een bloedsbroederband onderhielden met onze neven van over de oceaan. Nu de Koude Oorlog voorbij is kunnen de meningsverschillen vrijelijker hun loop krijgen. En één van die meningsverschillen, diep ingeworteld in beide continenten, betreft de fundamentele vraag over het gebruik van oorlog als verlengstuk van de politiek.

Maar ook de verhoudingen zijn anders geworden. Ons continent is niet meer het uitgeteerde, getraumatiseerde Avondland van 1945. Wij blijven Amerika immens dankbaar omdat het toen een einde maakte aan onze nachtmerrie. Maar sedert 1945 is er veel veranderd. Economisch is Europa een wereldmacht. Politiek staat het voor – wat men ook moge beweren – een zinderend project van ongeziene vreedzame samenwerking tussen eeuwenoude vijanden. Internationaal krijgt Europa een eigen profiel, eigen projecten, eigen ambities.

Ook dat verklaart de spanningen binnen het Atlantisch Bondgenootschap. Jarenlang hebben traditionele atlantisten aan deze en de andere zijde van de oceaan zich sceptisch uitgelaten over de uitbouw van een sterke Europese poot binnen het Bondgenootschap. Sommigen hebben er zich zelfs hardnekkig tegen verzet. En het argument was steeds hetzelfde: dit zou het einde inluiden van de Navo.

Het omgekeerde is precies waar: zolang er geen Europese pijler in de Navo bestaat, dreigt de samenhorigheid binnen de Alliantie te bezwijken onder haar onevenwicht: één supermogendheid en achttien op defensievlak versnipperde, veelal Europese landen, waarvan vele denken dat ze nog altijd een grootmacht zijn. Terwijl ze, vergeleken bij de Verenigde Staten, maar het gewicht van lilliputters hebben. Een halve eeuw geleden wist Paul-Henri Spaak dat al. Europa bestaat alleen nog maar uit kleine landen. Het enige nog relevante onderscheid is dat er zijn die dat begrijpen en andere zijn die dat nog altijd niet willen beseffen.

De samenwerking van de voorbije weken tussen Duitsland, Frankijk en België – drie van de zes stichtende leden van de Unie, drie van de meest geteisterde Westeuropese landen in beide Wereldoorlogen – is niet toevallig, en ook niet eenmalig. Duitsland, Frankrijk en België werken nu al samen in het Eurokorps. In november van vorig jaar dienden de Franse en Duitse minister van Buitenlandse Zaken op de Europese Conventie hun gezamenlijke voorstellen in voor het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid. En enkele maanden voordien had ik een brief, gericht aan mijn collega’s in de Europese Raad, een project voorgesteld, dat exact dezelfde richting uitging.

Beide projecten bevatten de solidariteit en de gezamenlijke veiligheid als basiswaarde voor de Unie: de uitbouw van een Europese militaire capaciteit, de oprichting van een Europees Wapenagentschap, een Europees hoofdkwartier en vooral de mogelijkheid om ook op het vlak van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid voortaan over te gaan tot versterkte samenwerking. Met dat mechanisme hebben we eertijds ook de euro gecrëerd. Zo, en enkel zo, kan er eindelijk werk worden gemaakt van een Europese defensiepijler in de Navo, die de alliantie opnieuw in balans kan brengen en nieuw leven inblaast. Zo, en enkel zo, kan er een nieuw atlantisme groeien.

Over de uitbouw van die Europese defensie bestaan trouwens heel wat misverstanden. We staren ons blind op het voorbeeld van de Verenigde Staten. Wat zij doen inzake defensie is niet alleen onhaalbaar voor Europa, maar wellicht ook niet eens wenselijk. Het Europees Veiligheidsbeleid moet er, anders dan dat van de Amerikanen, niet op gericht zijn om tegelijkertijd twee regionale oorlogen te kunnen voeren én te winnen, én de wereldzeeën te domineren. Dat is niet de roeping van ons continent.

Wij hebben overigens ook niet dat nationaal elan van de Amerikanen dat zo’n roeping noodzaakt. Nationalisme is dood in West-Europa sedert de verwoestingen van de twee Wereldoorlogen. Niemand marsjeert nog achter de vlag van de kleiner wordende Europese naties. En ik zie ook niemand bereid te marsjeren achter die van Europa. Ik vind dat, gezien ons verleden, niet eens een slechte zaak.

Tegenover de nieuwe complexe bedreigingen van na de Koude Oorlog is Europa wellicht weerlozer dan de Verenigde Staten, maar niet noodzakelijk minder dan alle andere hoofdrolspelers op het wereldtoneel: Rusland, Japan, China, India. Onze ambitie moet er dus in bestaan een defensie te organiseren die de economische grootmacht Europa waardig is, zonder daarom meteen die van een supermacht te zijn. We zijn dus zeker niet verplicht voortaan elke dag een miljard dollar aan defensie te spenderen om ernstig te worden genomen.

Maar business as usual zal niet volstaan. Sedert 11 september moet elk verantwoordelijk Europees politicus erkennen dat naast de vele ,,wortels’’ iets meer ,,stokken’’ nodig zullen zijn. Sedert 11 september moet de hypothese worden opgeborgen dat een Europese interventiemacht uitsluitend in de onmiddellijke omgeving van dit continent operationeel moet kunnen zijn.

Hoe dan ook zullen we technologie en investeringen nodig hebben die geen enkele lidstaat van de Unie nog alleen kan dragen. We zullen minder soldaten behoeven, maar veel beter opgeleide en heel veel gespecialiseerde troepen, dat alles op Europese schaal. We zullen op Europees niveau transparantie moeten creëren over de bestedingen van de defensie-budgetten en de vele inefficiënties daarin. We zullen absoluut werk moeten maken van een heuse eengemaakte en geliberaliseerde defensie-industrie. Daar zit nog steeds één van de krachtigste nationale lobby’s.

Maar laat er anderzijds ook geen misverstand over bestaan. Het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid is niet gericht tegen het Amerikaanse overwicht in de wereld. Integendeel, op de meeste problemen die zich in de wereld stellen reageren de Amerikanen niet anders dan de Europeanen. En omdat we in de meeste vraagstukken op dezelfde golflengte zitten kan een nieuwe Navo de westerse invloed zelfs nog versterken. Een Europese Defensiemacht is niet de doodgraver, maar de basis voor een nieuw atlantisme, dat wortelt in de gewijzigde omstandigheden van na de Koude Oorlog.

Nogmaals: het uiteindelijk doel moet zijn dat de Navo geen organisatie blijft van één supermacht en een resem versnipperde staten en staatjes. Zou men zich bijvoorbeeld een economische alliantie kunnen voorstellen van de ene Europese Unie met Iowa, Texas, Ohio, Oklahoma, Utah en de vijfenveertig andere staten elk apart? Waar we dus naartoe moeten is een alliantie van partners, van twee partners, niet noodzakelijk gelijk aan elkaar, wel sterk verbonden met elkaar.

Die Alliantie moet zich ook bezinnen over haar doelstellingen en opdrachten. Wat staat er ook weer, niet in de preambule, maar in artikel 1 van het Atlantisch Handvest van 4 april 1949? Ik citeer: ,,de ondertekenende partijen verbinden er zich toe om, zoals vooropgesteld in het Charter van de Verenigde Naties, elk internationaal conflict waarin zij betrokken kunnen geraken, met vreedzame middelen op te lossen, op een dergelijke wijze dat de internationale vrede, veiligheid en rechtvaardigheid niet in gevaar worden gebracht. Zij verbinden er zich ook toe om in hun internationale betrekkingen af te zien van een dreiging met gebruik van geweld die op enigerlei wijze in zou gaan tegen de doelstellingen van de Verenigde Naties.’’ Einde citaat. De vraag stellen of België de voorbije weken dissident is geweest in de Navo, is meteen beantwoord.

Dames en Heren

Dit nieuw atlantisme past ook in de multipolaire wereld waar wij naartoe evolueren. De bipolaire wereld eindigde in 1989, met de val van de Muur van Berlijn. Sedert 11 september beseffen we dat de wereld ook niet geordend kan worden door één supermacht. Waar we naartoe moeten evolueren is een wereld waarin continentale machtsblokken met elkaar dialogeren, elk met hun eigenheid, elk met hetzelfde doel voor ogen: dat van een stabielere wereld, waarin ook de welvaart meer rechtvaardig wordt gespreid. Slechts op die manier zal men duurzame vrede bereiken. Een doel dat ongetwijfeld nog veraf is. Onze ambitie, heel zeker, voor de rest van de nog jonge eeuw.

In die multipolaire wereld, zullen wij, Europeanen, steeds een hechte waardengemeenschap met Noord-Amerika blijven vormen. Laat daar geen twijfel over bestaan. Maar ik meen dat ondanks het vele dat ons met Amerika bindt, wij in Europa verder gestalte moeten geven aan de opinies die wij zelf willen belichamen. Dat is geen schrikbeeld. Dat is de normaalste zaak van de wereld.

Europa groeit en legt andere accenten. De Unie heeft in de wereld een profiel dat zachter is dan dat van de Verenigde Staten, maar zeker niet minderwaardig. Europa wordt meer en meer aangesproken als voorbeeld van multilaterale samenwerking, als bemiddelaar en vredeshandhaver in complexe conflicten, als continent dat gevoelig is voor sociale en ecologische uitdagingen, als werelddeel waar men beseft dat de eigen rijkdom kwetsbaar blijft zolang de grote meerderheid van mensen honger lijdt.

Daarmee, dames en heren, meen ik de paradox te hebben hard gemaakt die ik in het begin van deze lezing als uitgangspunt nam. Nu wij de euro tot realiteit hebben gemaakt, is dat ons dringendste project. Hoe meer men in onze straten betoogt, hoe dringender de uitbouw wordt van een waarachtige Europese Defensie.
 
Links

Contact